‘Het zal altijd zo doorgaan’

Er is veel veranderd in de afgelopen vijftig jaar binnen de acountancybranche! Of niet?

Zo’n vijftig jaar geleden -ver voor het ontstaan van de big4- waren accountantskantoren instituten. Gevestigd in mooie vooroorlogse panden aan brede singels, grachten en lanen waren het bolwerken van traditie, ontzag, cijferkennis en (bedrijfs)economische macht. Strak geleide maatschappen van mannen die getooid waren met titels in de bedrijfseconomie en de acountancy . Sommigen hadden ‘slechts’ een RA titel die zij vanuit studie bij één van de voorlopers van het NIVRA hadden behaald. Rond deze zestiger en zeventiger jaren kwam er ook een andere ‘nieuwe’ accountant om de hoek kijken. Die wilde ook wel graag enig aanzien verwerven. Een accountant speciaal voor de MKB. Door veel politiek lobbywerk kwam deze nieuwe ‘soortgenoot’ er uiteindelijk ook. Middels een overgangsregeling konden administratieve krachten deze titel -na een onderzoek door een commissie- verkrijgen. Later werd er een opleiding gestart waarvoor eerst het SPD diploma moest worden behaald. Nog weer later gingen HBO instellingen deze opleiding verzorgen. In ieder geval waren er nu twee ‘soorten’ accountants RA en AA. Gelukkig. Voor ieder wat wils!

In die zeventiger jaren zaten de accountants -zoals gezegd- in deftige en statige panden en vaak midden in de stad. Met imposante namen en al even deftig handgeschept briefpapier, waarop niet zelden de namen van de ‘leden der maatschap’ in vol ornaat werden genoemd. Deze maatschapleden werden ook wel ‘vennoten’ genoemd. Dat waren heel andere mensen dan de gewone man of vrouw, hoewel deze laatste soort nog nauwelijks haar intrede had gedaan, die zich iedere dag meldde aan de statige voordeur. De heren vennoten zaten in zogenaamde vennotenkamers. Niet zelden waren dit statige kamers met lambrizering, sierplafonds en perzische tapijten. Grote eiken bureau’s en kasten vol met oude boeken. Aan de wanden hingen schilderijen van oude meesters en sommigen hadden zelfs in hun ‘werkkamer’ een marmeren schouw of open haard. Kortom de heren zaten er ‘warmpjes’ bij. Er was niets te merken van ambitie of visie op het vak, veranderingen waren niet nodig. Het zou immers altijd ‘zo ‘doorgaan! Het gewone volk, de senior assistenten en mogelijke ‘troonopvolgers’ moesten kamers met elkaar delen en hadden een aanmerkelijk slechter uitzicht. Zij waren er slechts voor de voortgang en niet voor de vooruitgang.

De assistenten waren gehuisvest in zogenaamde ‘assistentenkamers’ gevuld met geestdodende ladekasten en roldeurkasten, ijzeren bureau’s en posters aan de wand om de zaak nog enigszins op te fleuren, niet zelden keken deze assistenten tegen een blinde muur! Toen het wettelijke miniumloon werd ingevoerd gingen vele assistent-accountants die in de avonduren moesten studeren en lange dagen maakten er flink op vooruit. Loonsverhoging door het hanteren van de wet! De afstand tussen assitenten en vennoten was zo groot dat er altijd een ‘tussenpersoon’ nodig was om te communiceren. Hiertoe waren de ‘senior assistenten’ of ‘medewerkers accountants’ (ja, zo heette die mensen echt) uitverkoren. Deze wisten hoe zij de vennoten moesten benaderen en op welke wijze problemen of vragen aan de orde moesten worden gesteld. Niet zelden bleef de deur van de vennotenkamer echter óók voor hen gesloten. Zij droegen deze vernedering manmoedig en met gevoel voor stijl en eerbied. De secretaresse -niet zelden een oudere dame- van ‘mijnheer’ was namelijk de laatste barrière die moest worden beslecht. Het kon namelijk zo zijn dat ‘mijnheer’ even aan het werk was. Dat kon varieren van het roken van een sigaar, een privételefoongesprek, met een andere vennoot het weekend doornemen tot het plaatsen van de finale handtekening. ‘Vennoten’ waren onaantastbaar en door hun positie natuurlijke ‘rolmodels’. Alleen merkten hier de assistenten -en nog minder de klanten- ook maar iets van.

Maar de tijd veranderde. Alleen accountant zijn was niet meer van ‘de moderne tijd’! Er kwamen adviseurs bij. Organisatieadviseur, automatiseringsdeskundigen en andere specialisten. De maatschappen van accountants gingen -vaak na een lange weg van ruzie en venijn-  fuseren met die van de belastingadviseurs, er ontstonden nieuwe maatschappen en die gingen weer samen met branchegenoten. Er ontstond eind jaren zeventig een heel nieuw landschap voor de accountant. Die van ‘samenwerken’, adviseren en luisteren naar de klant. Grote maatschappen gingen ook samenwerking met buitenlandse accountants en adviseurs zoeken, er kwamen dus ook internationale maatschappen. Dat was een ware revolutie voor de eens zo ‘rustige en deftige’ accountantsbranche. Accountants moesten -noodgedwongen- hun takenpakket uitbreiden met adviesdiensten en specialistische dienstverlening. Aan accountancy alleen was immers niets meer te verdienen! De ‘vennoten’ werden ‘partners’. De maatschappen NV’s of BV’s. Het werd steeds moeilijker, ook vanwege de automatisering, alleen je geld te verdienen met commoditywerk. De bezem moest flink door de stoffige branche, een andere imago, klant- en merkbeleving en meer -lucratieve- adviesdiensten! De assistenten bleven echter assistenten. Met een betere vooropleiding (dat dan weer wel!) maar zij blijven ‘beginners’ en zijn uitsluitend goed voor het routinewerk, de bulk en daarna zien we wel wie er ‘boven komt drijven’! Mensen die het vak nog moeten leren. Welk vak? Het vak van accountant-adviseur! Is de branche daarin de afgelopen -pakweg- vijfentwintig jaar geslaagd? Is de ‘nieuwe generatie’ accountant-adviseur -dus nú- klaar voor de greep naar de macht? Ziiten zij nu op het pluche?

Het blad van de AA Accountant heette bij de start van deze beroepsgroep -in de zeventiger jaren- ‘Accountant-Adviseur’. Een vondst van de toenmalige bestuurders. De MKB accountant moet namelijk vooral een ‘adviseur’ zijn. Waarschijnlijk hebben deze bestuurders toen al aangevoeld dat een MKB ondernemer behoefte had -bij gebrek aan staffunctionarissen- aan bedrijfskundig en strategische advies. En dat is klaarblijkelijk in de afgelopen vijftig jaar nog steeds niet gelukt, althans als ik de media mag geloven en de toonaangevende bladen binnen de accountancywereld goed begrijp. Ook het afgelopen weekend lees ik weer in één van die bladen: “Dat adviseren geen vanzelfsprekendheid is, blijkt wel uit het feit dat er al vele jaren (!?) over wordt gesproken, maar dat er van meer adviesomzet maar weinig terecht komt.” Even verderop staat geschreven: “Dat betekent dat de accountant moet veranderen (!?) om de winstgevendheid van zijn kantoor op peil te houden. Meer aandacht voor advies kan een oplossing zijn.” Vervolgens geeft de auteur in een soort ‘drie stappenplan’ aan hoe je een advieskantoor kan worden. Op twee bladzijden de oplossing voor een probleem dat al vijftig jaar opgang doet. Alsof je van iedere accountant ‘zomaar’ een adviseur kan maken!? Was het maar zo simpel. Het artikel besluit met de volgende gerustellende, of is het troostende, gedachte: “Waarbij ik dan nog maar opmerk dat accountantskantoren ook bestaanrecht hebben als ze geen advieskantoor worden. Advies is een keuze (!?), geen plicht.”

Dat deze materie ‘de groep’ serieus blijft bezighouden mag blijken uit een artikel in hetzelfde blad. Het gaat over klantbeleving, merkpositionering en het zo broodnodige advieswerk. Hier schrijft een onderzoeker die ‘inspiratiebron is voor ondernemende accountants’ -als het gaat om merkbeloftes- ondermeer: “En wat gebeurt er nadat de jaarrekening besproken is? Welke follow-up geeft u hieraan als accountant? Reikt u aanvullende nuttige tips en service aan? Vrijwel alle bevraagde klanten in het onderzoek geven aan dat zij de merkbeloftes van hun accountant missen bij de contactmomenten.” De schrijver refereert hier aan de belofte van kantoren ‘sparringpartner’ te willen zijn, ‘ruimte voor ondernemen’ te scheppen, ‘grip’ te bieden voor ondernemen, en meer van dit soort kreten. Klaarblijkelijk veelal loze kreten! Ook deze auteur geeft weer op twee bladzijden de nodige tips om meer proactief en adviesgericht te gaan werken en nu eens werkelijk meerwaarde te bieden. De adviseurs van de accountants hebben het er maar druk mee! Eigenlijk is er dus niet zo veel veranderd in die vijftig jaar. De mooiste panden zijn nog steeds van de accountants en de fiscalisten, ze werken samen met allerlei adviseurs, juristen en notarissen en zijn nog steeds op zoek hoe zij vanuit hun accountancykennis een graantje kunnen meepikken van de zo ‘lucratieve’ adviesomzet. En de ‘vennoten’ en ‘partners’ tegenwoordig vaak CEO’s of lid van de Raad van Bestuur genoemd profileren zich als acterende goeroes, ‘inspirators’, presentatoren en ‘visionairs’. Het is alleen jammer dat de doorsnee assistent -en nog minder de klant- in de dagelijks praktijk niets merkt van hun ‘power’, ambitie en veranderkracht. Denkend aan de ‘mijnheer de vennoot’ -“het zal altijd zo doorgaan”- in zijn chique werkkamer kom ik tot de conclusie dat er weleens nog heel wat jaren overheen kunnen gaan voordat de ‘nieuwe generatie’ accountant-adviseur met werkelijk toegevoegde waarde (de assistent van toen en nú) de kans krijgt haar intrede te doen! Daar is een krachtig, modern en stimulerend HR beleid voor nodig en een ‘mijnheer de vennoot’ die écht belangstelling heeft voor de toekomst van zijn mensen en het accountants-adviesvak én een heldere visie heeft hoe dit binnen de organisatie kan worden bereikt.

Reageer

Je kan deze tags gebruiken: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

Terug

© Hans Klaasse.